VISIETEKST

De centrale, kritische, thematische stelling van IMAVO luidt: de wantoestanden waarin de mensen nu verkeren, zijn ontstaan en blijven voortbestaan omdat de mensen de conflictgeladenheid van het menselijk bestaan ontvluchten. Om het ‘positiever’ uit te drukken: het nastreven door de mensen van het harmonie-ideaal veroorzaakt onmenselijke toestanden. Als deze idee waar zou blijken, dan is een noodzakelijke voorwaarde voor de oplossing van de bestaande wantoestanden het terug aangaan en aanvaarden van conflicten en de daarbij horende spanningen. Zoals nog moet aangetoond worden, behoren conflicten noodzakelijkerwijs tot het bestaan van de mensen, indien zij tenminste op een menselijke manier willen leven. Het aanduiden van het harmonie-ideaal - dat de men sen nastreven door prioritair harmonie te willen en conflicten te ontvluchten - als principiële oorzaak van wantoestanden houdt niet een pleidooi voor het gewelddadige in. Het is juist omgekeerd: wie het harmonie-ideaal nastreeft, is gewelddadig. Er moet duidelijk een onderscheid gemaakt worden tussen conflict, harmonie, geweld en macht. Ook de verschillende manieren om conflicten op te lossen, moeten aangeduid worden. Reeds het feit dat binnen onze cultuur geen scherp onderscheid tussen conflict en geweld gemaakt wordt, duidt op de cultuurkritische draagwijdte van bovenvermelde beweringen. Cultuurkritiek is namelijk noodzakelijk, daar culturele tradities een voorname rol spelen in het ontvluchten van conflicten.

1. Algemene stellingen over de conflictualiteit van het menselijk bestaan

De centrale, kritische stelling vooronderstelt dat er een noodzakelijke conflictualiteit in het menselijk leven bestaat: wie deze conflictualiteit ontvlucht, veroorzaakt onmenselijke toestanden. De verhoudingen van de mensen tot de wereld moeten conflictgeladen zijn, indien zij op een menselijke manier willen verder leven. De wereld waartoe de mens zich verhoudt, kan men in drie gebieden opsplitsen, namelijk de natuur, de andere mensen en zichzelf. 1 De mensen hebben door hun cultuur hun bestaan in de wereld, dikwijls omwille van de harmonie, gewijzigd. Om het ontstaan van wantoestanden en om de harmonische invloed van de cultuur op de verhoudingen van de mens tot de wereld te kunnen na­gaan, is het bijgevolg eerst nodig, in de mate van het mogelijke, deze verhoudingen in hun niet-culturele vorm te bekijken. Ten opzichte van de natuur, de andere mensen en zichzelf is de ‘naakte, cultureel niet-aangeklede’ verhouding van de mens con­flictgeladen.

marx

De mensen moeten de natuur wijzigen, indien zij in leven willen blijven. Dit is het economische grondprincipe van het menselijk bestaan. Karl Marx verwoordt dit als volgt: “Het arbeidsproces (...) is een doelmatige activiteit om te komen tot vervaardiging van gebruikswaarden, aanpassing van het natuurlijke aan menselijke behoeften, algemene voorwaarde voor de stofwisseling tussen mens en natuur, eeuwige en natuurlijke voorwaarde van het menselijk leven en daardoor onafhankelijk van iedere vorm van dit leven, sterker nog: aan alle maatschappelijke vormen gemeen.” 2 De mens is noodzakelijk een productiewezen. Er bestaat voor de mensen een noodzakelijke productiedwang.

De mensen kunnen echter de natuur niet willekeurig wijzigen; zij zijn daarin onder meer beperkt door hun natuurlijke levensnoodzakelijke voorwaarden. De mensen zijn van de natuur afhankelijk: zij hebben voldoende zuivere lucht en water nodig, gezonde voeding, ... Dit is het ecologische grondprincipe van het menselijk bestaan. De conflictualiteit in de verhouding van de mensen ten opzichte van de natuur bestaat juist in deze tweespalt: de mensen moeten de natuur wijzigen indien zij verder willen leven, maar de mensen moeten blijvend met hun natuurlijke levensvoorwaarden rekening houden. De mens is afhankelijk van de natuur, maar dit betekent niet dat de natuur als een zorgzame moeder zomaar voor de mens zorgt. De natuur staat onverschillig ten opzichte van de mens.
Ten opzichte van de andere mensen is de grondverhouding van de mens ook conflictgeladen. Dit is het gevolg van de wederzijdse afhankelijkheidsverhoudingen die tussen de mensen heersen. 3 Als persoon A afhankelijk is van persoon B, dan heeft B juist daardoor macht over A. Als B niet meer wil instaan voor dat waarvan A afhankelijk is, wordt A daardoor in zijn bestaan of bestaanswijze geraakt. De afhankelijkheid van A ten opzichte van B geeft B macht over A. Het politieke grondprincipe van het menselijk bestaan is dat de mens een noodzakelijk gemeenschapswezen is. Elk individu is niet alleen een biologisch product van twee andere mensen, voor het menselijk voortbestaan is de mens ook afhankelijk van andere mensen. Tussen de mensen heersen er bijgevolg wederzijdse afhankelijkheidsverhoudingen. Juist het feit dat de mensen wederzijds afhankelijk zijn, zorgt mede voor de conflictualiteit van het menselijk bestaan. 4 De wederzijdse afhankelijkheidsverhoudingen zijn namelijk wederzijdse machtsverhoudingen. Het menselijk samenleven berust op dit spanningsveld van machteloze afhankelijkheid en op de afhankelijkheid van de ander gebaseerde macht.

image531

De mensen zelf hebben behoeften die niet steeds onmiddellijk te bevredigen zijn. De mensen moeten rekening houden met de realiteit. Tussen de menselijke behoeften en de realiteit bestaat er dan ook een spanningsverhouding. Volgens Sigmund Freud is dit e spanning in de mens tussen het lust- en het realiteitsprincipe. Maar niet alleen tussen de behoeften en de reële bevredigingsmogelijkheden bestaat er een conflictverhouding, ook onderling zijn verschillende behoeften niet terzelfdertijd te bevredigen. Achter de behoeften - die Freud ook driften noemt - zijn er volgens Freud twee fundamentele oerkrachten werkzaam. Freud spreekt over Eros of levensdrift tegen­over de destructie- of doodsdrift. Deze oerdriften zijn met elkaar niet te ver­zoenen.
De doodsdrift is de fundamentele neiging in de mens om harmonie na te streven en conflicten te ontvluchten - de dood als de eeuwige rust. Met de dood wordt een eerder levend wezen harmonisch verenigd met de natuur: het keert terug tot stof en as. De levensdrift is de fundamentele neiging in de mens om conflicten aan te gaan en te aanvaarden. 5 Het erotische grondprincipe van het menselijk bestaan drukt juist de noodzaak voor de mens uit om conflicten aan te gaan en te aanvaarden om op een menselijke manier te leven.
De vier aangeduide grondprincipes van het menselijk bestaan drukken niet alleen een humane noodzaak uit - het zijn principes waaraan de mensen zich moeten houden, indien ze op een menselijke manier willen leven. Ze drukken ook zakelijk een noodzaak - een zaak die nodig is - uit. Het zijn grond principes omdat ze voor de mensen de noodzaak uitdrukken om zich economisch, ecologisch, politiek en ‘erotisch’ te engageren.

WERELDMENS
Natuur Ecologie: de mens is afhankelijk van de natuur

Economie:de mens moet de natuur wijzigen
Andere mensenPolitiek: de mens is afhankelijk van andere mensen
Zichzelf‘Erotiek’:de mens moet conflicten aangaan en aanvaarden

Tabel 1: De grondprincipes van het menselijk bestaan

De conflictualiteit van het menselijk bestaan is gebaseerd op deze vier grondprincipes. Wie het harmonie-ideaal wil blijven verdedigen, zal – in een vermoedelijk tevergeefse poging – inhoudelijk de geldigheid van de aangeduide grondprincipes van het menselijk bestaan moeten ontken­nen.


2. Noodzakelijke begripsonderscheidingen:
conflict - harmonie - conflictoplossingen - geweld - macht

Deze korte schets van de conflictgeladenheid van het menselijk bestaan zal, ook wat de begrippen betreft, heel wat vragen opwerpen, die eerst moeten beantwoord worden. Met de hier behandelde vragen en tegenwerpingen proberen mensen ook het traditionele harmonie-ideaal te redden.

2.a. Conflict en harmonie

Een van de mogelijke tegenwerpingen zou kunnen luiden: Moet de verhouding tussen mens en wereld niet eerder harmonisch zijn? Betekent het woord ‘conflict’ zoals het hier gebruikt wordt, in feite niets anders dan wat normaal onder ‘harmonie’ ver staan wordt? Waar ligt juist het verschil tussen beide?
Een conflict bestaat tussen twee of meer relatiepolen wanneer de verschillen tussen de relatiepolen zodanig zijn dat ze met elkaar botsen en niet met elkaar verzoenbaar zijn of verzoend worden. In een harmonieuze relatie vullen de verschillen elkaar aan en zijn dus complementair: ze botsen niet met elkaar. Hierop wijst ook Plato in zijn commentaar op Herakleitos’ harmoniebegrip: “Wellicht bedoelt ook Heraclitus dit te zeggen - geslaagd kan men zijn formulering immers niet noemen. De eenheid, zo zegt hij, door zich aan zichzelf tegen te stellen, komt tot overeenstemming zoals de harmonie van boog en lier. Nu is het volslagen onzinnig te spreken van een harmonie die tegengesteld is of die zou bestaan uit elementen die nog-tegengesteld zijn. Neen, vermoedelijk bedoelde hij dat harmonie het resultaat is van elementen die tevoren verschil den, nl. hoog en laag, maar die later door de muziekkunst tot overeenstemming werden gebracht. Want zolang hoog en laag nog-tegengesteld zijn, zou er toch zeker geen harmonie kunnen bestaan. Harmonie is immers overeenstemming, en overeenstemming een vorm van overeenkomst. Maar overeenkomst op grond van tegengesteldheid is een onmogelijkheid, zolang die tegenstel­ling niet is opgeheven. Aan de andere kant kan men tegengestelden, die evenwel geen overeenkomst uitsluiten, wèl doen harmoniëren, zoals toch ook het ritme het resultaat is van vlug en langzaam, elementen die tevoren verschilden maar achteraf tot overeenkomst zijn gebracht.” 6 In een conflictrelatie worden de optredende verschillen dus au sérieux genomen, terwijl in een harmonierelatie deze verschillen met elkaar verzoend worden. De verschillen mogen dus in een harmonieuze relatie slechts in dié mate aan bod komen dat ze de eenheid niet verbreken. Harmonie kan dus ook optreden wanneer er tussen de relatiepolen geen verschillen bestaan. Harmonie is onverschilligheid ... in een dubbele betekenis: namelijk in die zin dat de werkelijke verschillen, de botsende verschillen, niet aan bod mogen komen, maar ook in de betekenis dat men voor het afwijkende, het verschillende, binnen een harmonierelatie onverschillig is.
Een voorwaarde voor een harmonieuze relatie is dan ook dat de verschillen die mogelijks optreden en de eenheid verbreken, worden onderdrukt. Dit kan, in het geval van een conflictuele relatie van persoon A ten opzichte van persoon B, doordat A B in overeen stemming brengt met zichzelf, dus A, (onderdrukking), of doordat A zichzelf in overeen stemming brengt met B (zelfonderdrukking). Men meent soms ook harmonie te kunnen bereiken wanneer men een tussenpositie tussen deze twee mogelijkheden inneemt: het harmonieus compromis. Dit bestaat in feite uit onderdrukking en zelfonderdrukking, want het compromis verschilt van de standpunten van beide relatiepolen: dus zowel A als B moeten zich aanpassen aan, zichzelf onder drukken voor, het compromisstandpunt; ze willen ook beiden dat de andere zich aan dit compromisstandpunt aanpast. Dit compromis is ook harmonieus omdat men meent dat het bereikte compromisstandpunt het absoluut beste, onveranderlijke, boventijdelijke, ideale - en dus harmonieuze - standpunt is. Er bestaan echter ook conflictgeladen compromissen. Niet alleen spelen daarin overwegingen mee in de trant van “onder druk ik mezelf niet teveel, en de andere zichzelf te weinig?”, maar blijft men ook beseffen dat het eigen standpunt van het compromis standpunt verschilt, en dat dit ook zo geldt voor het standpunt van de tegenstander. Ook blijft men in een conflictgeladen compromisstandpunt beseffen, dat gezien de gewijzigde omstandigheden het soms nodig is het compromis te wijzigen. Een compromis kan maar als harmonieus overkomen als men zich niet meer bewust is van de daaraan ten grondslag liggende conflictualiteit.

2.b. Conflictoplossingen en harmonie

Men zou ook kunnen opwerpen dat het toch niet de bedoeling kan zijn bestaande conflicten onopgelost te laten, dat er soms praktisch gehandeld moet worden en dat zulke praktische handelingen toch conflictoplossingen vereisen, en dat de oplossing van een conflict steeds harmonieus moet zijn.
Het antwoord daarop is: natuurlijk zijn er omwille van de praktijk conflictoplossingen nodig. Bij het autorijden moet er bijvoorbeeld beslist worden langs welke kant van de openbare weg iedereen zal rijden. Toch zijn niet alle oplossingen van conflicten harmonieus. Er zijn vier oplossingen van conflicten mogelijk, voortvloeiend uit het al of niet aangaan en het al of niet aanvaarden van conflictgeladen relaties.
Schematisch voorgesteld:

-NIET AANVAARDENAANVAARDEN
NIET AANGAANonverschilligheidonderdrukking
AANGAANzelfonderdrukkingengagement

Tabel 2: Conflictoplossingen

Er zijn dus drie harmonieuze oplossingen voor conflicten mogelijk, namelijk zelfonderdrukking, onderdrukking en onverschilligheid. Bij de zelfonderdrukking aanvaardt men dat er van de of het andere bepaalde eisen worden gesteld, die in feite botsen met eigen behoeften, belangen en doelstellingen, maar men vermijdt het conflict door zichzelf volstrekt aan te passen aan de eisen van de of het andere, men gaat het conflict niet aan. Bij de onderdrukking drukt men zijn eigen wensen door, tegen de behoeften, belangen en doelstellingen van de andere in, - men gaat het conflict met de andere wel aan, maar men maakt daar zo vlug mogelijk door geweld een einde aan; men aanvaardt het conflict niet. Bij de onverschilligheid meent men in feite dat er geen conflict bestaat: men aanvaardt het dan ook niet, en men gaat het dan ook niet aan.
De goede oplossingen voor conflicten zijn de conflictgeladen oplossingen, d.w.z. oplossingen waarbij men de conflictualiteit van het op te lossen probleem blijft in het oog houden, waarbij men blijft beseffen dat de oplossingen oplossingen zijn van onderliggende conflicten, dat die oplossing niet noodzakelijk de enigste is, niet noodzakelijk de beste, dat gezien de wisselende omstandigheden sommige andere oplossingen misschien beter zijn. Conflictgeladen oplossingen zijn oplossingen waarvan men de tijd-ruimtelijke relativiteit inziet, maar anderzijds ook beseft dat er een oplossing nodig is, maar dat zo’n oplossing niet absoluut is. Men moet dus beseffen dat een oplossing van een conflict steeds maar voorlopig kan zijn, en beseffen dat een oplossing de conflictspanning tussen de twee uitgangsposities kan verdoezelen. Wanneer men een oplossing aanvaardt, moet men blijven beseffen dat er een spanning blijft bestaan tussen het compromis en de tegenpositie. Men moet ook beseffen dat de omstandigheden kunnen wijzigen en andere oplossingen zich als beter zouden kunnen opdringen.

2.c. Conflict en geweld

Andere vragen zouden kunnen luiden: Zijn conflicten niet altijd gewelddadig? Is het voorgaande geen pleidooi voor geweld?
Vanuit een op harmonie gerichte levenshouding en het daarbijhorende gezichtspunt wordt dikwijls conflict met geweld verwisseld. Onze nieuwsberichten lopen over van zulke verwisselingen. Conflicten worden dan gezien als “betrekkelijk geringe afwijkingen, randverstoringen van een overheersende kerntoe stand van harmonie”. 7 Een conflict zit in deze visie niet erg diep en moet in feite zo vlug mogelijk worden opgelost om zo een nog grotere harmonie te bereiken. Geweld is echter een poging om conflicten te vermijden en harmonie te realiseren. 8 Door geweld te gebruiken probeert men een entiteit van de conflictrelatie te onderdrukken en aan te passen aan de andere conflictpool of het harmonieuze ‘compromis’. Men probeert aan het conflict een radicaal einde te stellen door over de tegenstander waar­mee men in conflict is, een eenzijdige machtsrelatie te verwerven of desnoods door hem te vernietigen. Dit is één mogelijkheid. Men kan ook een einde aan het conflict maken door zichzelf te onderdrukken of desnoods te vernietigen. Zelfdestructie is een andere mogelijkheid om conflicten te ontvluchten. Conflict en geweld zijn dus niet met elkaar gelijk te schakelen of te verwisselen. 9

Geweld is dus een middel om iemand - dit kan ook zichzelf zijn - in te passen in een harmonieuze relatie. Geweld hoeft ook niet fysiek te zijn, maar kan ook louter psychisch of structureel zijn. Zonder fysiek geweld te gebruiken kan men met woorden psychisch gewelddadig zijn. Een maatschappij hanteert structurele regelingen om het menselijk leven ordelijk te laten verlopen. Met deze regelingen ordent een maatschappij de conflictgeladen relaties van de mens tot de wereld, zodanig dat men niet steeds op deze regelingen moet terugkomen en het menselijk samenleven mogelijk wordt. Structureel geweld bestaat nu wanneer men deze traditionele regelingen doorzet, ook al wordt er door vele anderen getwijfeld aan het nut en de zin van deze regelingen. Zij die structureel geweld plegen, steken zich weg achter instituties en wetten, en willen deze niet in twijfel trekken. Voor hen liggen de regels nu eenmaal vast. Zij treden als onderdrukkers op; zij willen de conflictgela­denheid waarvoor de regeling een oplossing bood, niet aanvaarden. Desnoods gebruiken zij daar voor fysiek geweld. Wie het harmonie-ideaal aanhangt, wordt gemakkelijk structureel, psychisch of fysiek gewelddadig. Met revolutionair geweld probeert men juist de traditionele regelingen die men als zwaar onderdrukkend aan voelt, te doorbreken, en tracht men de mogelijkheden tot conflict terug te openen, die door het structurele geweld van de onderdrukkers worden uitgesloten. Het regelmatig waargenomen omslaan van revolutie in terreur is in feite een poging van de revolutionairen om standvastigheid en harmonie in hun nieuwe regelingen door te voeren; terreur is dus een nieuwe verdoezeling van de conflictualiteit van het menselijk bestaan. Er bestaat dus zeker een spanningsveld tussen de noodzakelijke regelingen en regelingen die als onderdrukkend werken. Wanneer regelingen niet meer noodzakelijk zijn maar ze toch toegepast worden, zijn ze zeker onder drukkend. De noodzaak ervan moet dus zeker aangetoond worden.
De gelijkschakeling van conflict en geweld is vanuit het harmonie-ideaal te begrijpen. Wanneer men hoe dan ook harmonie en rust wil, komt elke verstoring van deze harmonie en rust, elke conflictgeladenheid, als gewelddadig over. Wie de harmonie idealiseert, wil niet ‘verontrust’ worden. De onrustbrengers moeten desnoods dan maar vernietigd worden.
Als geweld conflictmijding is, dan kan men maar geweld mijden door het mijden van conflictmijding, dus door op een menselijke manier met conflicten om te gaan, dus door ze aan te gaan en te aanvaarden. Echte vrede betekent de conflictualiteit van het menselijk bestaan aangaan en aanvaarden. Echte vrede is geen harmonie, daar harmonie onderdrukking en zelfonderdrukking inhoudt.

2.d. Macht

Machteloosheid wordt dikwijls als harmonieus aangezien. Vele religieuze denksystemen prediken juist de machteloosheid, de (zelf)onderwerping als middel van een harmonieuze gelukzaligheid: “de aarde zou een paradijs zijn, indien de mensen maar geen macht nastreefden”. Deze typische religieuze houding is een harmonieuze illusie: men tracht harmonie te bereiken door zich te onderwerpen aan zogenaamde buitenmenselijke machten, door zich volstrekt afhankelijk te maken en te geloven dat men dan wel verzorgd zal worden. “Het ideaal van een volstrekte harmonie - nu of later - is een ideaal van de dood in het (menselijke) leven.” 10 Het streven naar macht is een voorwaarde voor menselijk leven. Machtsstreven vooronderstelt niet noodzakelijk onderdrukking, het machteloos maken van de andere mensen en de natuur. Het aangaan en aanvaarden van conflicten vooronderstelt juist dat beide conflictpolen macht hebben en behouden.
Macht is de mogelijkheid om iets tot stand te brengen of te verhinderen. Op zichzelf is macht dus niet moreel verwerpelijk: de morele verwerpelijkheid hangt af van wat men concreet wil realiseren of verhinderen. Met macht kan men proberen om conflicten te onderdrukken - macht ten dienste van het geweld -; maar om conflicten te kunnen aangaan heeft men macht nodig. En, krijgt men niet juist macht door conflicten aan te gaan?

3. Conflicten en wantoestanden

Het ontvluchten van de conflictualiteit van het menselijk bestaan, het nastreven van het harmonie-ideaal veroorzaakt onmenselijke toestanden. (Dat is waar, als het voorgaande terecht geldt, namelijk als conflicten noodzakelijk tot het menselijk bestaan behoren.) Om deze bewering over de oorzaak van wantoestanden concreet te staven kan ik hier slechts enkele grote lijnen schetsen. Binnen een conflictgeladen relatie kan men op drie manieren harmonie nastreven: door onderdrukking van de andere pool, door zelfonderdrukking of door een harmonieus compromis. In een harmonieus compromis moet men echter langs twee zijden water in de wijn doen: het is een combinatie van gedeeltelijke onderdrukking en zelfonderdrukking.
Men kan dus ook het conflict tussen mens en natuur op deze drie manieren proberen harmoniëren. Men kan de natuur proberen onderdrukken: de beperkingen die de natuur ons oplegt worden door middel van technieken en technologie teruggedrongen. Men probeert de kwetsbare afhankelijkheid van de natuur te ontlopen door ze te vervangen door een onkwetsbare afhankelijkheid van een volautomatisch productieapparaat. Dit volautomatisch productieapparaat verlost de mensen ook van de noodzakelijke productiedwang. De opbouw ervan veroorzaakt nu al heel wat werkloosheid en ellende. Waar ligt het breekpunt tussen de levensnoodzakelijke productietechnieken en de technologische terugdringing van de natuur waardoor eerlang de mensheid zal vernietigd worden? Toch daar waar de noodzakelijke voorwaarden van het menselijke bestaan worden vernietigd. De terugdringing van de natuur door middel van een volautomatisch productieapparaat vereist een grote industrialisatie en enorme hoeveelheden grondstoffen.

Als tradities echter wantoestanden veroorzaken, is het noodzakelijk, wanneer men deze wantoestanden wil opheffen, deze tradities te herzien en te vervangen door andere regelingen voor de conflictsituaties. Het proberen veranderen van traditionele regelingen vooronderstelt dat men terug bewust wordt van de conflictgeladen verhoudingen waarvoor de traditionele regelingen een oplossing boden. Het bewust willen aangaan en aanvaarden van conflicten is dus een voorwaarde om echte verbeteringen in de menselijke leefsituatie aan te brengen. De nieuwe, vervangende regelingen lopen natuurlijk hetzelfde gevaar als de oude, vervangen regelingen. De mensen moeten dus, indien zij een menselijk bestaan willen leiden, bewust blijven van de conflictuele spanning die tussen hen en de wereld, waaronder de verhouding tussen henzelf en hun cultuur, bestaat. Het realiseren van het harmonie-ideaal, de rustvolle harmonie, betekent de dood. Rust mag enkel uitrusten zijn, tenzij men voor de nabije toekomst de ‘eeuwige rust’ van de mensheid nastreeft. Zonder het aangaan en aanvaarden van de conflictualiteit van het menselijk bestaan, is menselijk leven niet mogelijk.

image317
Het eerste Rapport aan de Club van Rome toonde reeds aan dat zelfs wanneer er ‘onbeperkte’ natuurlijke hulpbronnen aanwezig zouden zijn - een meer optimistische dan realistische vooronderstelling -, de groei van de industriële productie en wereldbevolking nog tot staan wordt gebracht en in elkaar stuikt door de toenemende vervuiling.11 Zelfs met de meest optimistische vooronderstellingen - namelijk ‘onbeperkte’ natuurlijke hulpbronnen, vervuilingsbeheersing, verhoogde landbouwproductiviteit en ‘volmaakte’ geboorteregeling - komt de groei (naar een volautomatisch productieapparaat) nog tot een einde voor 2100: “Nu wordt de groei gestopt door drie gelijktijdige crises: overmatig gebruik van land leidt tot erosie en de voedselproductie daalt; de hulpstoffen worden door een welvarende wereldbevolking (maar niet zo welvarend als de huidige bevolking van de VS) ernstig uitgeput en de vervuiling stijgt, daalt en stijgt dan weer enorm, waardoor de voedselproductie verder daalt en een plotselinge stijging in het sterftecijfer optreedt. De toepassing van technologische oplossingen alleen verlengt de periode van de groei van bevolking en industrie, maar het heeft niet de uiteindelijke begrenzingen aan die groei verplaatst.” 12
De vervanging van menselijke doelmatige arbeid door het wetenschappelijk-technologisch-kapitalistisch spel met fysiologische arbeidskracht en andere productiemiddelen is een groteske verspilling van energie en grondstoffen. De technocratische droom wordt uit eindelijk een nachtmerrie. De oplossing voor deze mondiale economische wantoestand is echter niet de passieve zelfonderwerping van de mensen aan de natuur. Dit zou enkel de dood van de mensen als resultaat hebben: de natuur zorgt niet als een bekommerde en belangeloze moeder voor de mensen. De mensen moeten met hun productief handelen wel binnen een ecologisch ‘evenwicht’ blijven, maar dit evenwicht is niet harmonieus of conflictloos. “Evenwicht betekent ‘een toestand van balans of gelijkheid tussen op elkaar inwerkende krachten’. ... Een toestand van evenwicht zou niet zonder spanningen zijn, aangezien geen enkele samenleving vrij van spanningen kan zijn.” 13 De mensen hebben echter deze balans niet in eigen hand: zij mogen zich niet door de natuurkrachten laten vernietigen, maar zij mogen ook niet hun natuurafhankelijkheid ontkennen. Een ‘compromis’ tussen mens en natuur levert dus geen harmonie op. De mensen moeten in hun economisch handelen rekening houden met de conflictualiteit van hun relatie met de natuur. Wanneer zij deze conflictualiteit proberen te ontvluchten door technocratische onderdrukking van de natuur of ‘ecologische’ zelf onderwerping, streven zij misschien niet bewust maar toch onontkoombaar hun eigen dood na.
De conflictualiteit tussen de mensen vloeit voort uit de wederzijdse afhankelijkheidsverhoudingen, die ook wederzijdse machtsverhoudingen zijn. Afhankelijkheden kunnen op materieel en psychisch vlak liggen. Materiële macht van individuen berust op het bezit van middelen en vaardigheden om deze middelen te gebruiken. De materiële machtsbasis wordt in de eerste plaats gevormd door het exclusieve bezit van levensmiddelen, of van productiemiddelen om zich deze levensmiddelen te kunnen verschaffen, of van de beste destructiemiddelen waarmee men anderen kan chanteren om te voorzien in de levens- en productiemiddelen. De materiële macht van de ene persoon vooronderstelt uiteindelijk de lichamelijk-materiële kwetsbaarheid van de andere. Psychische macht is gebaseerd op de psychisch gevoelsmatige kwetsbaarheid van de andere. Juist omdat de ene persoon bijvoorbeeld in een liefdesrelatie emotioneel afhankelijk is van een ander persoon, heeft deze laatste macht over de eerste. Gelovigen houden zich aan de geboden en verboden van hun geloof omdat zij gevoelsmatig afhankelijk zijn van en geloven in het heil dat dit geloof hen voorspiegelt. Onderdrukkingsrelaties ontstaan tussen mensen omdat de onderdrukkers slagen om zichzelf onkwetsbaar op te stellen door de anderen in hun materiële en psychische kwetsbaarheid te chanteren. Een onderdrukkingspoging slaagt echter maar als de onderdrukten de onderdrukking - soms, gezien hun kwetsbaarheid, wel moeten - aanvaarden en dus aan zelfonderdrukking doen. Wanneer de ‘onderdrukte’ de onderdrukkingspoging niet aanvaardt en dus niet zelfonderdrukkend optreedt, is de conflictrelatie terug open. Omwille van het harmonie-ideaal aanvaarden veel onderdrukten hun onderdrukking. Geen geslaagde onderdrukking zonder zelfonderdrukking. Het middel om een einde te stellen aan een onderdrukking is dus zeker niet de zelfonderdrukking - prekerig wordt dit natuurlijk zo niet genoemd, maar wordt deze houding met ‘mooiere’ termen zoals aanvaarding, gelatenheid en soberheid aangeduid. Onderdrukking wordt maar tegengegaan door het opbouwen van een tegenmacht. Voorwaarde voor deze tegenmacht is ook dat men de kwetsbare punten van de onderdrukker kent en erop inspeelt. Wantoestanden op tussen­menselijk vlak ontstaan dus omdat men de conflicten niet wil aangaan en aanvaarden. Men wil onkwetsbaar zijn en deze onkwetsbaarheid bereiken door onderdrukking en zelfonderdrukking.
Voor hun geboorte ondervinden de mensen in de moederschoot geen weerstand van de realiteit bij de bevrediging van hun behoeften, die dan nog volledig onbewust aangevoelde afhankelijkheden zijn. In het intra-uteriene leven worden de ‘aangeboren’ behoeften blindelings bevredigd. De emotionele grond van het harmonie-ideaal is het ‘baarmoeder verlangen’, het willen terugkeren naar de beleving van de toestand van onvoorwaardelijke verzorging, zoals men die onbewust in de moeder­schoot heeft ervaren. Na hun geboorte worden de nog volledig afhankelijke mensenkinderen die onmogelijk zelfstandig kunnen overleven, verzorgd door andere mensen, nu meestal door hun ouders. Deze vormen een soort ‘culturele baarmoeder’ - de pasgeboren baby’s kunnen voorlopig hun onbezorgd leven verder leiden. Na een tijd ‘ontwaken’ de kinderen meer en meer en komen zij geleidelijk aan tot meer bewustzijn van hun eigen individualiteit, doordat de buitenwereld en haar eisen hen meer en meer doet aanvoelen dat hun behoeften niet meer zo vanzelf­sprekend bevredigd worden. De mensen zijn echter niet onafgebroken bewust - het bewustzijn ontstaat wanneer de mensen, op de eerste plaats met hun behoeften, in conflict komen met de realiteit. Het bewustzijn is dikwijls bewustzijn van iets dat zich, gewild of niet, aan de mensen opdringt. Tussen de behoeften die uit de lichamelijke organisatie van de mens afkomstig zijn - die Freud de driften noemt 14 - en die zich onbeperkt, zelfs ten koste van het leven van het individu, trachten door te zetten, en de ons omringen de reële buitenwereld bestaan er conflictspanningen. Vele eisen die de buitenwereld aan het individu oplegt, worden gesteld door de ‘culturele baarmoeder’, die de mens onbezorgd verder door het leven wil leiden. Vele van deze culturele eisen, worden door de mens geïnterioriseerd. 15 Tot de realiteitseisen behoren niet alleen de eisen die de menselijke gemeenschap aan het individu stelt, maar ook de zaken die mensen nodig hebben om te voorzien in hun lichamelijke behoeften. Tussen de driften en de realiteitseisen moet de mens schipperen. Psychische ziekten ontstaan wanneer mensen deze conflictspanningen trachten ongedaan te maken door één conflictpool aan de andere te onderwerpen. Neurosen ontstaan wanneer de mensen hun aangeboren driften - trachten te onderwerpen aan de eisen van de buitenwereld, dus te verdringen, maar daarin niet volledig slagen, zodat deze driften zich hoe dan ook op een andere manier trachten door te zetten, en andere maar minder doeltreffende surrogaatbevredigingen nastreven. Psychosen komen voort uit de omgekeerde harmoniëringspoging: daar de driften botsen op de eisen van de buitenwereld en zich niet kunnen bevredigen, brengt een individu een eigen waanwereld voort waarin deze driften wel aan bod kunnen komen. In de waan wordt een deel van de realiteit verloochend. Neurosen en psychosen zijn het gevolg van een harmoniëringspoging, die kenmerkend is voor de destructie- of doodsdrift: sommige mensen trachten hun behoeften of delen van de realiteit te ontkennen, psychisch te vernietigen, om toch maar harmonieus te kunnen leven. Een compromis waarbij de mensen redelijk psychisch gezond blijven, kan enkel ‘erotisch’, namelijk conflictgeladen, zijn. De mensen moeten tijdens hun leven blijven schipperen en niet definitief voor anker gaan.
Wanneer de mensen het harmonie-ideaal nastreven en conflicten met de natuur, andere mensen en in zichzelf ontvluchten, veroorzaken zij wantoestanden.

4. De cultuurkritische draagwijdte

De gegeven principiële analyse van de bestaande wantoestanden geeft aanleiding de functie van een cultuur bij het ontstaan van wantoestanden kritisch te bekijken.
Elke cultuur heeft als formele functie door middel van tradities de conflicten die noodzakelijk tot het menselijk bestaan behoren, te regelen. “Ons menselijk bestaan beweegt zich in ontelbare tradities. De hele cultuurwereld is in al haar vormen gegeven uit traditie”, schrijft Edmund Husserl. 16 Tradities zijn noodzakelijk voor het menselijke samenleven. De maatschappelijke praktijk vereist dat men gegroeide regelingen of afspraken zo goed als standvastig overneemt of houdt: men kan niet steeds terugkomen op de regelingen en deze kritisch onderzoeken.
image369

De autobestuurders kunnen bijvoorbeeld niet elke dag vergaderen om vast te stellen langs welke kant van de openbare weg ze die dag zullen rijden.
Alhoewel tradities noodzakelijk zijn om het leven in een gemeenschap mogelijk te maken, houden ze echter het gevaar in dat men ze als natuurnoodzakelijkheden, als onwijzigbare vanzelfsprekendheden zou aanzien. Dit is een gevaar waardoor niet alleen “een cultuur in haar voortbestaan en in haar verdere ontwikkeling bedreigd is”, maar “iets wat een cultuur volgens haar meest eigen formele functie juist tot stand moet trachten te brengen.” 17 De cultuurtradities zijn dus in feite pogingen om de conflictualiteit die noodzakelijk tot het menselijk bestaan behoort, te verdoezelen. Als de mensen zich vanuit hun harmonieverlangen volstrekt aanpassen aan de culturele tradities kunnen zij ondoordacht maar niet steeds moeiteloos de rol spelen waartoe het ‘lot’ hen nu eenmaal veroordeeld heeft.